Weer geschreeuw. Ik druk mijn kinderen dichter tegen me aan. Angst voor de dood grijpt me om mijn keel. Ik heb het benauwd, heb het gevoel alsof mijn laatste uur elk moment kan slaan. Nog een knal. Weer geschreeuw. Mijn dochter kijkt me aan. Ik zie angst in haar ogen, en haar mond beweegt langzaam. Ik versta niet welke woorden uit haar droge mond vloeien.

‘Hun jeugd zal er misschien wel nooit zijn.’

Bij elke blik die ik op mijn kinderen werp, denk ik aan hun jeugd. Hun jeugd die er niet is en misschien wel nooit zal zijn. Wat heeft de toekomst nu nog te bieden? Midden in de oorlog, op de grens van de twee vechtende partijen? Zal ik mijn werkelijke Allepo ooit nog kunnen waarnemen? Zullen mijn kinderen het überhaupt ooit mogen zien? Mijn blik laat mijn dochter los en glijdt naar het raam. De zon is inmiddels door de maan vervangen. Ik heb geen kracht meer, maar moet mijn kinderen in bed leggen. Langzaam kom ik overeind, duizelend door het gebrek aan voedsel. Mijn kin beweegt naar m’n borst, mijn polsen hebben amper nog een omtrek. Kracht is ver te zoeken. Mijn handen glijden in die van mijn kinderen, en mijn benen, al slepend, proberen de slaapkamer te bereiken.

‘Ik luister naar het geschreeuw dat mijn oor binnendringt’

Ik schrik wakker. Zweet druipt van m’n voorhoofd en ik kijk m’n kinderen aan. Beide slapen, maar ik zie dat het onrustig is. Het irritante geluid waardoor ik wakker werd duurt voort. Ik besef dat het mijn telefoon is. Hijgend en gestrest pak ik hem, en neem op. Onwetend met wie ik aan de lijn ben, luister ik naar het geschreeuw dat in mijn oor binnendringt: de stem trilt, net als mijn hand. Het is mijn chauffeuse. Ik luister nog even en hang dan op. Ik moet nu weg. Dit is mijn laatste kans en die moet ik grijpen. Ik wek mijn kinderen en vertel ze dat ze alvast naar de achterdeur moeten gaan. Stress gijzelt me. Ik weet niet meer wat ik moet doen en ik zie zwart voor mijn ogen. Ik moet weg. Ik gris nog snel een tas mee en raas naar de achterdeur, pak de handen van mijn kinderen en zodra ik de achterdeur heb geopend, zie ik mijn chauffeuse staan. Zij lijkt een verwezenlijking van de stress die ik voel. We glijden de auto in en horen de motor starten. Als we weg rijden, zie ik dat de wegen niet langer gesloten zijn. We kunnen echt weg. We zijn echt bijna vrij. Van Allepo rijden we naar Damascus, een 350 km lange rit. Ik kijk naar buiten, mijn kinderen alweer slapend tegen mij aan. Overal liggen lijken. Ligt bloed. Ligt pijn. De geur van stollend bloed glijdt mijn neus binnen. Ik ben blij dat dit waarschijnlijk de laatste keer is dat ik die ruik. De vlucht verder is aan mij voorbij gegleden. Mijn aankomst in Nederland is me wel altijd bijgebleven. Dat moment, dat ik uit het vliegtuig stapte, leek het alsof ik in een schilderij was gestapt. De bloemen en bomen wilde met mij spreken, en alles zong. Het was een mooi schilderij. Een ander schilderij dat ik al jaren in Allepo had gezien.

In Hoofddorp staat mijn huis, Aleppo is mijn thuis

Lopend door Hoofddorp zie ik ‘mijn’ huis. Mijn huis zal het nooit echt zijn. Het is mijn bezit, maar thuis zal ik me er nooit voelen. Mijn thuis is Allepo. Inmiddels sta ik voor ‘mijn’ deur. Ik kijk naar beneden en zie de boodschappen die ik zojuist heb ingeslagen, mijn polsen met een normale omtrek. Kracht. Mijn handen openen de deur en mijn benen bewegen zich richting de keuken. Eenmaal aan het kokkerellen, stijgen de herkenbare geuren op. De geuren waarmee ik ben opgegroeid. De geuren uit Allepo. Borden worden gevuld en mijn gezin omringd de tafel. Mijn ogen nemen de trots die ik voel voor mijn kinderen waar. Ze zijn zo sterk en gezond. Mijn dochter en zoon ontwikkelen hun passies goed en zijn er nooit mee gestopt. Mijn man en dochter gaan regelmatig naar het zwembad om te trainen. Mijn zoon was een befaamd violist, maar is nu tijdelijk gestopt. Hij is druk met studeren. Ik zie vrijheid. Vrijheid binnen mijn familie, want dat is waar het begint. Goede banden tussen man en vrouw, zussen, dochter en zoon. Vrijheid buiten is er ook, maar anders dan ik me altijd had voorgesteld. Vrijheid betekent niet langer niet veilig zijn en bang zijn, het betekent nu religievrijheid. Vrijheid om te zijn wie ik wil zijn.

‘Weten jullie het misschien?’

De zon is weer door de maan vervangen en mijn blik rust weer op het glas van het raam. Mijn dochter is samen met mijn man haar passie aan het uitoefenen en mijn zoon zit met zijn neus in de boeken. Ik zit alleen aan de keukentafel. Alleen in ‘mijn’ huis. De blik uit het raam doet me denken aan de tijd van de oorlog. Mijn hand glijdt naar mijn broekzak. De dichtbundel. Ik pak hem eruit, open hem, en blader door de gedichten die al door mij op papier gezet zijn. Het voelt niet compleet. Mijn pen bevindt zich dicht bij mij en de woorden vloeien eruit:

In mijn hart zitten biljoenen tranen van onze kinderen. Wat doe ik, als de tranen een zee in mijn hart hebben gemaakt? Wat zou ik eraan kunnen doen, als ik de geur van jasmijn uit mijn land vergeet? Hoe kunnen we een normaal leven blijven leiden? Wat kunnen we samen doen om onze aarde te verbeteren? Ik vraag het elke dag aan de vogels. Ik vraag het elke keer aan de hemel. Maar vandaag wil ik het jullie vragen; “Weten jullie het misschien?” Weten jullie dat?

Interview: Susanne & Zara 
Foto: Edward Draijer | EGD Fotografie | www.egdfotografie.nl

Terug naar het overzicht van de Levende Getuigenissen