Ans was tijdens de Tweede Wereldoorlog nog maar een klein meisje. Ze woonde in Haarlem. Wij vinden het belangrijk dat haar verhaal wordt gehoord, dus hebben wij haar geïnterviewd. We hebben het voornamelijk gehad over vrijheid, want was is vrijheid? Wat hield vrijheid vroeger in en wat nu? Ons gesprek kwam meteen op gang, Ans had zo veel aan ons te vertellen. Omdat wij weinig wisten over Ans, begonnen we als eerst met de vraag of ze zich zou kunnen voorstellen.

Moeder was lief, maar streng

Ans werd geboren in Alphen aan de Rijn. Haar vader was een goede schoenmaker en omdat de boeren in Alphen aan de Rijn eigenlijk alleen maar klompen droegen, was de vraag kleiner dan het aanbod. Dus op haar achtste, in 1941, verhuisde ze met haar ouders, broertje en twee zussen naar de Leidsebuurt, in Haarlem. Haar moeder was een hele lieve vrouw, maar kon wel streng zijn. Ze hielp mensen graag en wist goed waar ze aan toe was. Haar vader was ontzettend lief. Hij kon ontzettend goed dichten en het gezin zong graag zijn liedjes. Tijdens de oorlog hadden ze geen elektriciteit, Ans vertelde ons dat hij dan languit op de grond ging liggen bij het vuur zodat hij liedjes kon schrijven.

Vrijheid verandert met de tijd

We hadden het voornamelijk over wat vrijheid nou betekent, wat is het verschil in betekenis naarmate de tijd is veranderd. Ans vertelde ons toen iets waar wij veel van hebben geleerd. Zij zei ons dat de tijd waarin je leeft, bepaalt welke mate van vrijheid mensen hebben, elke tijd heeft zo z’n vrijheden, maar dat je je vrijheid ook kan overschrijden. Vrijheid is niet alleen doen en laten wat je wil.

‘Vrijheid is kunnen worden wie je wilt worden. Jongeren kunnen in deze tijd worden wat ze willen, dat vind ik vrijheid.’

Ans vertelde ons hele leuke verhalen, ze had bij alles altijd een leuk en spannend verhaal.

We hadden veel vragen over hoe het vroeger was in haar gezin. Of zij met haar ouders over de oorlog praatte en wat er allemaal gebeurde. Hierop antwoordde zij: “Het ging vanzelf. Daar werd je niet bij betrokken. Door mijn ouders werd thuis niet echt gesproken over de oorlog, maar het was op een bepaald moment ‘gewoon’ geworden. Er was bezetting, geen oorlog; het leven ging gewoon door. Mensen wisten niet zoveel. Je was kind, alles was gewoon. Het was al lang aan de gang. Het was geen oorlog.”

Bombardement op Rotterdam

Ans vertelde ons toen over het moment waarop zij zich niet meer vrij voelde, het moment waarop zij het bangst was. Dat was op 10 mei 1940. Het moment dat de oorlog begon, het bombardement op Rotterdam.

“Ik herinner me nog dat wij van mijn moeder tegen de muur van de voorkamer moesten staan toen het bombardement begon in Rotterdam. Het was zo ver weg, maar het leek zo dichtbij. Dat was het enige moment dat ik echt bang was. Tegenover ons zagen wij uit ons raam twee Nederlandse soldaten die doelloos schoten op de Duitse vliegtuigen die voorbij vlogen.”

Op etenstocht naar de Achterhoek

Later vertelde zij ons een heel mooi verhaal over hoeveel respect zij voor haar moeder had gekregen tijdens de oorlog. Tijdens de Hongerwinter ging zij op ‘etenstocht’ naar de Gelderse Achterhoek op haar fiets zonder banden en haalde daar eten voor het gezin. Maar naast haar eigen gezin van zeven onderhouden, zorgde zij ook voor anderen. Wanneer zij thuis was gekomen waren er altijd mensen die bij hun thuis aanbelden om te bedelen voor eten. Haar moeder stond altijd klaar om te helpen en gaf deze mensen dan al het eten wat ze als gezin konden missen. Toen er bij haar thuis ook weinig meer te eten was, kwam haar vader op een avond thuis met tulpenbollen. Er werd immers gezegd dat het naar aardappelen zou smaken, dus vader dacht dat ze het wel een kans konden geven. “Ik herinner me nog dat we er allemaal naar zaten te kijken, mijn zusjes, mijn broertje, mijn moeder en ik. Het zag er een beetje blauw en glazig uit. Mijn vader schepte een tulpenbol op met zijn vork, probeerde het en zei dat het allemaal wel meeviel. Vervolgens waren wij aan de beurt. Ik kan dat wrange gevoel in je keel en dat samenknijpen van je tong nog zo terugroepen. Het was zo vies!”

Spannende verhalen over de Hongerwinter

Toen ze 11 was, in de Hongerwinter, ging ze op een dag met een vriendinnetje de duinen in, om hout te verzamelen. Beiden hadden ze een karretje mee, en een zaag, dat wist ze nog goed. Toen de boswachter aankwam, ging iedereen snel weg; die man was niet helemaal te vertrouwen. Maar toen die eenmaal weer weg was, kwam iedereen terug. Een enorme boom was omgezaagd. Een vrouw daar zei tegen Ans en haar vriendin: “Als jullie me helpen, krijgen jullie de top.” Zo gezegd, zo gedaan, en na veel zagen konden Ans en haar vriendin weer met een volle kar terug. Maar toen brak er een wiel van Ans haar wagentje af, en midden in de sneeuw konden ze niet meer verder. Haar vriendin moest naar huis, en ruilde met Ans van eten; Ans had tulpenkoek bij zich en zij zelf wittebrood, dat Ans wilde hebben. Ans heeft uren gewacht (en dat was een van de weinige keren dat ze echt bang was geweest), totdat haar vader het wiel er weer onder kon zetten en haar -na een hele dag buiten in de kou geweest te zijn- mee naar huis nam.

Tot onze verbazing had Ans die dag geen kou gevat: “Ja ik denk wel eens: mensen zijn tegenwoordig zo vaak ziek, hè? Je moet alles schoon houden, je moet je handen op tijd wassen, je moet dit, je moet dat; er is niets meer in je lijf dat dat werk doet. Dat was in die tijd nog niet, volgens mij.”

Worteltjeboven

Ze had nog een spannend verhaal dat met vrijheid te maken had.

Op de Westergracht was een keer een man doodgeschoten, niet vanwege de oorlog, maar vanwege criminaliteit. En zijn vrouw werd altijd ‘Worteltjeboven’ genoemd. Waarom, dat wist Ans ook niet precies.

Toen haar twee  tantes eens over het Houtplein liepen, liep de weduwe langs. De ene tante wist niet precies wie dat was, dus de ander stootte haar aan en zei: “Hé Cor, dat is nou Worteltjeboven.” Maar de weduwe hoorde het, blies op een fluitje, en meteen kwam de politie aangerend en Ans’ twee tantes werden in de boeien geslagen, naar het politiebureau gebracht en in twee aparte cellen gezet.

Niet alle politieagenten zijn slecht

Zoals Ans al eerder had gezegd; niet alle Duitsers en politiemensen zijn slecht. Dat is nu niet zo, en toen ook niet.

Dus na een tijdje kwam er een Nederlandse politieagent binnen bij een van de tantes en zei: “Vertel het verhaal eens hoe het gegaan is.” Dat deed tante. Toen ze uitgepraat was, zei de agent: “Verzin maar een ander verhaal, dat moet tante Nel dan ook doen. Dan zien we dan wel welke het beste is.”

Uiteindelijk was dat van tante Nel het beste: ze hadden een vrouw zien lopen met wortels in haar tas, maar eentje stak de tas uit. Toen had tante Nel gezegd: “Kijk, dat is nou met recht worteltjeboven.”

Toen de twee tantes later werden verhoord, klopte het verhaal van alle kanten, en konden ze niet verder vervolgd worden. Ze mochten weer naar huis. “Zoiets zou nu nooit meer gebeuren,” zegt Ans.

Duitse schoonmoeder wees voedselbonnen af

Ans vertelde ons als laatste nog een heel bijzonder verhaal over haar schoonmoeder. “Mijn schoonmoeder was Duits. Zij kreeg dus extra stambonnen voor voedsel en andere benodigdheden, maar zij wees deze af. Ze zei dat ze geen Duitser was maar Nederlander. Ook al had ze zo’n groot gezin om te voeden, ze vond dat andere mensen deze stambonnen meer nodig hadden en om deze reden wees ze deze af.” Toen Ans dit verhaal vertelde werd ze nogal emotioneel, dit vonden wij ook heel bijzonder. Het was bijzonder dat zelfs in tijden van nood mensen nog aan een ander konden denken en andere mensen ook de nodige dingen gunden terwijl ze het zelf misschien zo hard nodig hebben.

Interview: Silvia, Liesel
Foto: Edward Draijer | EGD Fotografie | www.egdfotografie.nl

Terug naar het overzicht van de Levende Getuigenissen